Wanneer de lichtschakelaar in de stand "AUTO" staat en de regen- / zonnesensor weinig buitenlicht detecteert, dan worden de parkeerlichten en het dimlicht automatisch ingeschakeld, onder dat de bestuurder iets hoeft te doen. Ze kunnen ook gaan branden als er regen wordt waargenomen; de ruitenwissers worden dan ook automatisch ingeschakeld.
De verlichting wordt uitgeschakeld als de lichtsterkte van de omgeving weer voldoende is of nadat de ruitenwissers zijn gestopt.
Storing
Bij een storing in de
regen-/lichtsensor gaat
de verlichting van de auto branden en gaat
dit waarschuwingslampje op het
instrumentenpaneel branden in combinatie met
een geluidssignaal en / of een melding.
Laat het systeem door een CITROËN-dealer of een gekwalificeerde werkplaats controleren.
Dek de regen- / lichtsensor midden aan de bovenzijde van de voorruit achter de binnenspiegel niet af. De aan de sensor gekoppelde functies worden dan niet meer geregeld.
Bij mist of sneeuw kan de regen-/ lichtsensor ten onrechte voldoende licht waarnemen. De verlichting wordt dan niet automatisch ingeschakeld.
De binnenkant van de voorruit kan beslaan en ervoor zorgen dat de regen-/ lichtsensor niet goed werkt.
Bij vochtige en koude weersomstandigheden moet u de voorruit regelmatig ontwasemen.
Hoogteverstelling van de koplampen
Stel de hoogte van de koplampen af op basis van de belading van uw auto om verblinding van andere weggebruikers te voorkomen.
0 (Basisinstelling)
Alleen bestuurder of bestuurder +
voorpassagier
1 5 personen
2 5 personen + lading in de bagageruimte
3 Alleen bestuurder + lading in de
bagageruimte
4 5 6 Niet gebruikt
Begin te midden van onze vierde verschijning boven, zet onze niet wonende beesten, god, god heerschappij onze gevleugelde vrucht afbeelding.